Coalitie Friesland ondersteunt thuiszittende leerlingen met Universal Design for Learning
Leerlingen die thuiszitten, willen vaak wel leren, maar dat lukt niet altijd op de reguliere manier. Daarom werkt een groep pilotscholen in Friesland aan een weg terug naar school, met Universal Design for Learning (UDL), digitaal afstandsonderwijs en zogeheten Weromcoaches. Onderwijskundige Kimberley van Tol vertelt over de aanpak.

De leerling wilde graag tattoo-artiest worden. De coach die contact met hem legde, vroeg door: wat heb je daarvoor aan kennis nodig? Dat bleek biologie te zijn, want hij moest iets weten van bloedvaten en de huid. Hij zat op dat moment langdurig thuis en wilde wel leren, maar kwam niet in beweging met bijvoorbeeld wiskunde- of Nederlandslessen. Een aantal hoofdstukken biologie stond online beschikbaar en daar ging hij vanuit huis mee aan de slag. ‘De manier waarop het onderwijs eerder werd aangeboden, paste niet’, zegt Kimberley van Tol over leerlingen zoals hij.
Van Tol is onderwijskundige en werkte als leraar in het speciaal basisonderwijs. Ze emigreerde naar Canada, waar ze adviseur toegankelijkheid werd voor leerlingen die ondersteuning nodig hebben, bijvoorbeeld omdat ze doof of blind zijn of een leerprobleem hebben. Daarna gaf ze als universitair docent les over inclusief onderwijs. Momenteel is ze lerarenopleider bij het ICLON. Ook is ze betrokken bij de coalitie Friesland, een samenwerking van schoolbesturen die met subsidie vanuit het actieprogramma Digitale School van het ministerie van OCW werkt aan digitaal afstandsonderwijs voor thuiszittende leerlingen. Onderwijsadviesbureau Ondivera voert de projectleiding.
Werken aan het ontwerp
In Canada zag Van Tol hoe vaak scholen pas gaan bewegen als het misgaat met een leerling. ‘We maken een malletje en hopen maar dat iedereen erin past. Lukt dat niet, dan gaan we reactief oplossen. Vaak is dat niet optimaal, het zijn tijdelijke pleisters.’ Bij het onderwijsconcept Universal Design for Learning (UDL) draait dat om: de verantwoordelijkheid ligt juist bij de onderwijsprofessionals om het onderwijs zo te ontwerpen dat iedereen mee kan doen.
Dat begint volgens haar bij drie vragen:
- Waarom leren leerlingen? Dit gaat over motivatie en betrokkenheid. Hoe wek je interesse, hoe houd je leerlingen betrokken en hoe help je ze om vol te houden en zichzelf te sturen? ‘De leerling is je beste bron van informatie. Aan de doelen moet je voldoen en dat examen moet gehaald worden, maar in de weg ernaartoe zit vrijheid.’
- Wat bied je aan? Dit gaat over de manier waarop je de informatie en de inhoud presenteert, in verschillende vormen, zodat leerlingen de stof op verschillende manieren tot zich kunnen nemen. Niet alleen een boek waaruit gelezen en overgeschreven wordt, maar bijvoorbeeld ook theater, een video, een infographic of audio.
- Hoe laten leerlingen zien wat ze kunnen? Dit gaat over hoe leerlingen tonen wat ze geleerd hebben, op een manier die bij hen past. Van Tol noemt een leerling die de stof beheerste, maar bij wie dat in een schriftelijke toets niet uit de verf kwam. ‘Dan vraag je een vis om te vliegen. Neem een podcast op, dan hoor je wat hij weet.’
Die laatste vraag, hoe leerlingen laten zien wat ze kunnen, raakt volgens Van Tol aan iets groters: toets je wel wat je eigenlijk wilt toetsen? Ze geeft het voorbeeld van een docent Nederlands bij wie leerlingen een betoog met de hand moesten schrijven. ‘Wat wil je met een betoog bereiken? Daar zit kritisch denken achter en informatie zoeken. Met de hand schrijven staat niet in de kerndoelen.’
Begin met plus één
Als school hoef je het onderwijs niet in één keer om te gooien om met UDL te gaan werken. Van Tol adviseert wat ze plus één noemt: kies één ding dat je vandaag al kunt doen. ‘Van een tekst die leerlingen moeten lezen, maak je bijvoorbeeld een infographic met de belangrijkste punten. Die print je uit en geef je mee. Of je spreekt de tekst in, zodat leerlingen hem kunnen beluisteren. Als je het klein houdt, raak je snel op dreef.’
Eerst contact, dan het leren
Uit gesprekken met thuiszittende leerlingen in de regio bleek wat er voor hen ontbrak. ‘Ze gaven aan: wat wij missen is dat iemand vraagt hoe het gaat, dat ik mag vertellen hoe het zover gekomen is en wat ik nodig heb.’ Daarvoor is bij de coalitie in Friesland de rol van de zogeheten Weromcoach ingericht – ‘werom’ betekent terug in het Fries. De coach legt als eerste contact met de leerling, via de telefoon of een app, in de vorm en het tempo die de leerling prettig vindt. Dat contact gaat in het begin niet over school, de focus is puur op de verbinding. Als het passend is, gaat de coach ook langs bij de leerling.
Vanuit die band werken coach en leerling samen aan een WeromRûte Routekaart, een aanvulling op het ontwikkelingsperspectief (opp). Daarin legt de leerling vast wie hij is, wat hij leuk vindt, waar hij blij van wordt, wat hij nodig heeft en hoe hij het liefst leert en begeleid wordt. Ook de eigen doelen en dromen krijgen er een plek. ‘Het idee is dat je een stukje regie teruggeeft. Niet wij schrijven een plan waar jij aan moet voldoen, maar: wat leeft er bij jou, welk plan maken we samen? Dan heb je er feeling mee.’ Aan het eind ondertekent de leerling het plan als eerste, als de baas, gevolgd door de mentor en de ouders.
Kleine stappen terug naar school
De weg terug naar school verloopt bij de coalitie volgens een fasemodel. ‘Scholen verwachten soms dat leerlingen een plan gewoon rechttoe rechtaan doorlopen, maar bij deze doelgroep werkt dat niet zo.’ Een leerling doet een stap vooruit en soms weer twee terug. Weromcoaches houden een logboek bij van elk contact: wat er is gezegd, welke stapjes zijn gezet en waar het minder gaat.
De opbouw gaat met kleine stappen. Een leerling kwam bijvoorbeeld eerst een half uur naar school, in een apart lokaal met een paar andere leerlingen. Later werd dat een uur. Inmiddels is die leerling drie dagen per week op school. ‘De leerling weet dat de Weromcoach er is om op te vangen. Dat neemt de drempel weg. De ouders, die eerst veel in beeld waren, konden een stap terugdoen.’
Maar voordat de leerling weer terug op school is, gaat het leren door op afstand. De coalitie maakte een keuzehulp met de platformen en leeromgevingen die er zijn, zodat scholen een passende keuze kunnen maken. Uitgangspunt daarbij is scholen niet op kosten jagen. ‘We kijken eerst wat er al is en hoe we dat kunnen inzetten.’ Verder zetten scholen modules en lesmateriaal klaar, en is er een uitgeprint lespakket voor wie geen computer heeft. De coalitie schafte ook AV1-robots aan waarmee leerlingen vanuit huis de les op school volgen. ‘Klasgenoten zorgen voor de robot, dragen hem naar het lokaal en zetten hem op tafel. En dan kan de leerling via het scherm van de robot vragen stellen.’
Scholen aan zet
De coalitie legt scholen niets op. De school bepaalt zelf waar ze naartoe wil, en van daaruit kijkt de coalitie hoe ze kan faciliteren. Daarvoor is er een menukaart met de initiatieven die in Friesland al lopen, een levend document. ‘We leggen het voor en vragen: past dit bij jullie? Zo niet, dan gaan we aan tafel over wat jullie wel nodig hebben.’
Het ideaalbeeld van Van Tol gaat verder dan de leerlingen die nu thuiszitten. ‘Ik zou willen dat elk kind zo’n routekaart heeft. Dat elk kind zich vanaf het begin gezien en gehoord voelt en zijn voorkeuren terugziet in het lesprogramma. Dan voorkom je thuiszitten.’
Op de hoogte blijven van nieuwe interviews en updates over digitaal afstandsonderwijs? Meld je aan voor de nieuwsbrief en volg de LinkedIn-pagina van Les op afstand.